Om goed bier te kunnen brouwen had de brouwer zoet water nodig. Daarom waren
vroeger de meeste bierbrouwerijen te vinden nabij kerken, die via de grote
daken regenwater verzamelde in cysternen of waterputten. Brouwerij De Drye
Tonnekens kreeg zijn water van de Oude Kerk aan het Hofplein. Het water van
het koor van de Oude Kerk werd aan de brouwerij Boudewijs vergund, mits hij
daarvoor cijns zou betalen en de daartoe benodigde loden buis zelf zou leggen
en onderhouden.