Waarschijnlijk was Damis Janszoon Meermans de eerste brouwer, hoewel er in
1660 nog geen sprake was van De Sleutel. In de "Lijst van Brouwerijen in
Ghilse en de Rijen" uit 1672 blijkt dat Meermans de enige coopbrouwer in de
kom van Gilze was. Destijds brouwde een huijsbrouwer voor eigen gebruik en
een coopbrouwer leverde ook bier aan andere herbergiers. Tussen 1671 en 1677
komt de naam van Meermans meerdere keren voor in de dorpsrekeningen. Soldaten
die het dorp aandeden moesten voorzien worden van brood en bier en van haver
voor de paarden. Schepenen (vergelijkbaar met de huidige wethouders) gaven
daar opdracht voor. De brouwer of waard dienden vervolgens de rekening bij
het gemeentebestuur. Zo moest Damis Meermans in 1674 "een halff vatbier,
vijff loopen ende quartier (51/4) haver, elff pont broot ende vijff kanne
bier" leveren. Een lopen is een oude maat, met een inhoud van 24,54 liter. In
de lijst van brouwers uit 1698 komt de naam van Meermans niet meer voor. Deze
lijst is van Niclaes Brakmans ('s-lands peijlder en wijnroeder). Een roeder
is een meetstok. Brakmans moest met een meetstok de inhoud van de brouwketels
ijken omdat daarover accijns moest worden betaald. Bij de toen genoemde
brouwer, Peeter Princen, noteerde hij een ketelinhoud van 5,5 tonnen. Hij had
een behoorlijke omzet want in 1714 betaalde hij aan impost (accijns) een
bedrag van 39 gulden en 9 stuivers, dit is het op één na hoogste bedrag dat
op de omslaglijst voorkomt. Peeter Princen was niet alleen coopbrouwer, maar
ook tavernier (herbergier). Zoals gebruikelijk had hij een herberg waar ook
bier uit de eigen brouwerij werd verkocht. Zo sneed het mes aan twee kanten.
In de gemeenterekeningen staan in verschillende jaren verteringen genoteerd
bij "Pieter Princen coopbrouwer alhier". De brouwerij stond achter zijn boerderij. Met beiden kon hij de gemeente van
dienst zijn. In 1702 werd aan hem niet alleen vijf gulden betaald voor een
vat bier, maar ook nog "24 gulden en twee stuivers voor door hem gelevert vet
varken ten dienst van dese gemeente het welk is vereert (ten geschenke
gegeven) aan seeker heer die dese gemeente dienst heeft gedaan". Het dorpsbestuur betaalde ook het gelag als militairen het dorp aandeden. Je
kon maar beter vriend en vijand tevreden houden. Aan Pieter Princen werd in
1704 betaald "de somme van vijf gulden en dertien stuivers tersake
verteringen ten sijne huijse soo bij vijantlijcke als hollandsen partijen
gedaan". In december 1736 werd Princen in de kerk van Gilze begraven. Zijn vrouw was
hem al tien jaar eerder voorgegaan. Begraven in de kerk was een teken van
welstand. De kosten daarvan waren hoger dan begraven worden op het kerkhof.
Bovendien moest er ook een hardstenen zerk in de vloer worden gelegd.
Begraven in de kerken werd later uit gezondheidsoverwegingen verboden. Ook
rook het niet altijd even fris in de kerken. Niet voor niets werd er over de
in de kerk begraven doden gesproken als rijke stinkers. De volgende eigenaar was Nicolaas van de Corput. Blijkbaar had hij de
brouwerij gekocht voor zijn kinderen, want alleen hun lijst komt voor op de
lijst van birebrouwers. Zelf was hij tavernier en "geswore clerq". De
brouwerij van de kinderen van den Corput komen ook voor in het Resolutieboek
uit 1756. Daar worden acht brouwers genoemd die moeten betalen, voor het
gebruik van gruit bij het brouwen van bier. Dit werd gebruikt om de
houdbaarheid van bier te bevorderen. Voor het verzamelen van het gruit moest
een heffing, gruitgeld, worden betaald aan de heer van Breda. Ook toen de
gruit al had plaats gemaakt voor hop bleef de heffing bestaan. In 1765 werd Arnoldus Nicolaas van den Corput eigenaar van de brouwer. Hij
trouwde met Elisabeth Peeter Anssems uit Hulten. Toen Arnoldus in 1766
overleed bleef zijn weduwe achter met haar zoontje Nicolaas. Die is later
priester geworden en in 1821 als pastoor in Zundert overleden. Na het
overlijden van haar man kwam zwager Ferdinant bij haar inwonen om het werk in
de brouwerij voort te zetten. Elisabeth bleef zelf de herberg doen. In 1769
hertrouwde zij met de weduwnaar Jan Baptist Brouwers en verhuisde naar
Goirle, waar haar man boer was. Ferdinant van den Corput en Willem Hoefmans
werkten in de brouwerij en betaalden elk de helft van de accijns op het bier.
In 1774 kwam Jan Baptist Brouwers met vrouw Elisabeth en de kinderen naar
Gilze. Brouwers werd brouwer in het bedrijf van zijn echtgenote. De eerste
jaren werd hij bijgestaan door Fredinant van den Corput. Op de omslaglijst
bieren van 1775 staat bij Jan Baptist "half brouwer, heel waert" (herbergier)
en bij Ferdinant "half brouwer, half borger" (burger). Toen in 1806 het patentrecht (belasting) werd ingevoerd had Jan Baptist
Brouwers een patent voor bierbrouwer en herbergier. De toestand van de
brouwerijen was in die tijd niet erg rooskleurig. Volgens de Staat der
Fabrieken en Trafieken binnen Gilze en Rijen uit 1808 hadden de brouwerijen
betere tijd gekend. "Thans staan ze stil door den slegte tijd of vermindering
van het geld alsook de duurte der granen. De bierbrouwerijen leveren geen
bestaan op aan de brouwers die daarom daarnaast nog een landbouwbedrijf
hebben". Brouwers overleed in 1819 in de leeftijd van 95 jaar. Voor die tijd
een respectabele leeftijd. Zijn derde zoon Adriaan was hem al eerder
opgevolgd als brouwer. Hij was niet alleen brouwer, maar ook herbergier en
landbouwer. De herberg werd niet alleen gebruikt voor het zondagse biertje of
borreltje, maar ook voor openbare verpachtingen en verkopen. In 1848 duikt
voor het eerst de naam De Sleutel op. In een aankondiging van een openbare
verkoping wordt gesproken van de Herberge "in den gekroonde Sleutel".
Waarschijnlijk werd de bierbrouwerij toen al De Sleutel genoemd. Volgens
familieoverlevering zou de naam afkomstig zijn van Sint Petrus die in het
gemeentewapen met een sleutel in de hand staat afgebeeld. Deze sleutel geeft
toegang tot de hemel. We moeten dan denken aan hemels bier, dat smaakt als of
er een engeltje over uw tong piest. Adriaan Brouwers had drie dochters en vier zonen: Johannes (bierbrouwer in
Rijen), Petrus Josephus (bierbrouwersknecht), Alouisius Jacobus (herbergier
in Raamsdonk) en Adrianus Gomaris (akkerbouwer). Hun vader overleedt in 1866
op 88-jarige leeftijd. Petrus en Adrianus, beiden ongehuwd, werden eigenaar
van de brouwerij. Er werd tijdig naar een opvolger gezocht. Dat werd neef
Adrianus Henricus uit Raamsdonk. Hij kwam in 1869 naar Gilze om bij zijn oom
te gaan werken. Na zijn huwelijk in 1879 met Martina Lucia Malles uit Tilburg
kocht hij het bedrijf van zijn oom. Hij kreeg in 1910 toestemming om een
bierkelder aan te leggen en een benzinemotor te plaatsen. In 1922 werden zijn
zoons Adrianus Henricus en Josephus Adrinus beiden eigenaar van huis, schuur,
brouwerij en tuin. Om aan de eisen van de tijd te kunnen voldoen vonden er
met toestemming van de gemeente uitbreidingen plaats, zoals het plaatsen van
twee elektromotoren. en uitbreiding van de brouwerij en bottelarij. Ook kwam
er een zogenaamde zuiggasmotor voor het aandrijven van een ijs- en
koelmachine. Dat ijs werd ook verkocht aan café's en slagerijenom het bier en
vlees in te koelen. In 1932 kreeg brouwers toestemming om limonade te maken.
In 1948 werd Josephus (Sjefke Brouwers of den brouwer uit 't durp) alleen
eigenaar van de brouwerij. Zijn twee zonen Thom en Jantje Brouwers behoorden
tot de laatste generatie die in de brouwerij gewerkt heeft. In 1954 werd
gestopt met brouwen en werd bier afgenomen van De Drie Hoefijzers in Breda.
Limonade bleef men nog zelf maken onder de naam Capitano. Het bedrijf werd
omgezet in een drankhandel met slijterij, tot ook hier in 1992 mee werd
gestopt.