In 1873 stichtten enkele Amersfoortse en Amsterdamse ondernemers de
Amersfoortsche Beijersch-Bierbrouwerij. Het was een -voor die tijd- moderne,
middelgrote brouwerij, bewust gebouwd aan de nieuwe spoorweg en meteen
geconcentreerd op het brouwen van het moderne laaggistende Beierse bier, het
bier dat een revolutie teweeg zou brengen in de biernijverheid. De trein was
toen hèt vervoermiddel van de toekomst en de nabijheid van het spoor
betekende goede en snelle verbindingen met binnen en buitenland. De eerste
jaren waren echter niet eenvoudig voor de nieuwe brouwerij, zoals in feite de
hele geschiedenis van Phoenix wordt gekenmerkt door een voortdurend vallen en
opstaan: recessies, oorlogen en hevige concurrentie dreven de brouwerij
meerdere malen naar de rand van de afgrond, voortdurend was er geld nodig
voor hoognodige investeringen en vernieuwingen. Bij verkoop in 1891 noemde de
nieuwe eigenaar het bedrijf Phoenix, overgenomen van zijn suikerfabriek in
Zevenbergen, die na een brand weer uit de as was herrezen. In 1894 volgde een
derde eigenaar: de Amsterdamse Scheepsbouwer Meursing kocht de brouwerij voor
een klein bedrag voor zijn jongste zoon. Meursing investeerde flink in
Phoenix, maar net 10 jaar later was opnieuw een grote investering nodig. Het
geld daarvoor werd aangebracht door familie van Meursing's schoonzoon, de
familie Korthals Altes. Deze familie zou tot aan de sluiting in 1970 de
dagelijkse leiding van de brouwerij in handen hebben. Voorbeelden van
opmerkelijke vernieuwingen zijn de eerste reclamecampagne voor bier t.g.v. de
eerste jaarbeurs in Utrecht in (1917) en een eigen scheepvaartlijn op Londen.
Al in 1918 volgde het eerste alcoholvrije bier, dat onder de naam Malto op de
markt kwam. Bovendien was Phoenix al in de jaren 20 en 30 bezig met
winkelverkoop, kroonkurken en statiegeld. Grotere brouwerijen deden daar
lacherig over maar volgden toch na de oorlog. Deze haast revolutionaire
verandering werd in 1925 doorgevoerd. Tot dat jaar leverde Phoenix, net als
alle andere brouwerijen in Nederland, het bier via agenten en café's. Dit
systeem, waarin de café's met voorschotten en kredieten werden ondersteund,
werd in de recessiejaren veel te kostbaar en men besloot zich te gaan
concentreren op de levering van flessenbier bij de kruidenier. Phoenix brak
hiermee een hele nieuwe markt open: de thuismarkt. De brouwerij komt vanaf 1923 onder de directe leiding van Johan Philip
Korthals Altes. In 1925 presenteert hij samen met zijn broer plannen waarin
de koers op de binnenlandse markt wordt verlegd. De brouwerij moest de
geldverslindende concurrentiestrijd op de horecamarkt laten voor wat die was
en zich volledig gaan richten op de markt voor thuisgebruik met op de
brouwerij gebotteld bier door verkoop via de kruidenier. Daarnaast moest de
export van flessenbier naar de verschillende buitenlandse markten krachtig
worden ondersteund. De kwaliteit van het Phoenix flessenbier moest dan wel
verbeteren. De brouwerij had al vanaf het begin van haar bestaan flessenbier
geleverd voor de export en het bottelen voor de binnenlandse markt over
gelaten aan agenten en speciale bottelaars. Deze leverden echter niet de
gewenste kwaliteit. De scheikundige professor B.D. Hartong, die vanaf 1920 de Phoenix adviseerde,
werd in 1924 een vast dienstverband aangeboden. Hij toonde aan dat veel van
de klachten over het Phoenix-bier kwam van het door bottelaars gebottelde
bier. Men had te maken met vuile rubberen vulslangen aan de bottelmachine,
terwijl ook vaak het rubber van de beugel-afsluitingen van de flessen ondicht
was. Hartong adviseerde de directie over te gaan op bottelen bij de brouwerij
en te stoppen met levering van bier aan bottelaars. Bovendien adviseerde hij
de brouwerij geen gebruik meer te maken van de beugelafsluiting en over te
gaan op de kroonkurk en/of op de ALKA-sluiting. De Phoenix-brouwerij was de
eerste brouwerij die volledig overging op de kroonkurk. Het besluit door Phoenix om zelf te gaan bottelen werd versneld door een
brand in april 1925 die de bottelarij en het verpakkingslokaal in de as
legde. Op 8 december 1925 kwam Phoenix op de markt met door de brouwerij
gebotteld bokbier in 30 cl. Appolinaris flessen. Tegelijkertijd werden de
andere biersoorten zowel in 30 cl als in pulflessen van 45 cl in de markt
gezet. Vanaf 1927 blijkt de verkoop van flessenbier door Phoenix bijzonder te zijn
toegenomen en in 1927 zijn er alweer investeringen in de uitbreiding van de
bottelcapaciteit en lagerruimte nodig. Er wordt een grote spoelmachine nodig
geacht die 2500 vuile of 3500 schonen flessen per uur kan reinigen. In 1925
voerde Phoenix staangeld (statiegeld) in van 5 cent per fles. Omdat de
brouwerij direct leverde aan haar afnemers moest zij zelf zorgdragen voor het
terughalen van de flessen. Daarom werd het staangeld al snel verhoogd naar 10
cent per fles. Een landelijke invoering voor alle brouwerijen vond plaats met
de Beschikking statiegeld voor flesschen, kruiken en potten no.1 die op 7
juli 1942 werd afgekondigd. De beschikking werd uitgevaardigd door het
Departement van Handel, Nijverheid en scheepvaart. Omdat er tot die tijd nog
geen sprake was van een landelijke regeling en flessen nogal eens geleend
werden door andere brouwerijen (emballageroof) liet Phoenix haar flessen in
de bodem voorzien van het driehoekige Phoenix-logo. Phoenix bleef een familiebedrijf tot er in de jaren vijftig nieuwe financiële
zorgen kwamen. In 1960 fuseerden Oranjeboom, Barbarossa, ZHB en Phoenix, maar
in feite was het een overname door eerstgenoemde. Phoenix wist in 1961 nog een langdurig contract met Albert Heijn binnen te
halen, waarvoor de gehele produktie werd ingezet. De concentratie in de
brouwwereld ging echter door, en de fusiegolf van die jaren leidde tot
sluiting van onrendabele bedrijven. In oktober 1970 viel het doek voor
Phoenix en werd de fabriek gesloopt. Phoenix leeft alleen nog voort als
exportmerk van Oranjeboom.
Bieren
Assortiment:
Sint-Jorisbier
Gebrouwen sinds: 1959
Gebrouwen tot: 1959
Opmerkingen: Gebrouwen ter gelegenheid van het zevende eeuwfeest van Amersfoort in 1959.