De tekst over Brouwerij De Pen is integraal overgenomen uit het BAV-journaal
van oktober 2004.
Het leven van bierbrouwer Thomas Houtepen in Rijen was niet gemakkelijk.
Rondtrekkende soldaten uit Antwerpen kwamen langs bij de brouwerij en wilden
bier drinken, maar de verteringen betalen was niet hun sterkste kant. De
brouwer, die voordat hij in 1640 een brouwerij begon, al een taverne bezat
kon maar beter aan het verzoek voldoen, want anders werd er geplunderd.
Uiteindelijk werden de onkosten door de herbergier bij de gemeente
gedeclareerd en door de gehele bevolking gedragen. In 1663 en 1666 waren het jagers van de Prins van Oranje, Heer van Breda, die
eveneens vertrokken zonder af te rekenen bij Houtepen. Tijdens die bezoeken
verteerde het gezelschap voor 17 gulden, 10 stuivers en 2 oort, zo blijkt uit
de dorpsrekeningen. Voor die tijd een heel aardig bedrag. De herberg van
Houtepen werd ook gebruikt voor het opmaken van de dorpsrekeningen en andere
gemeentelijke activiteiten. Ook deze verteringen werden in rekening gebracht.
Zo werd in 1675 aan de weduwe Thomas Adriaensen Houtepen een bedrag betaald
van zevenendertig gulden en veertien stuivers "over verteringen en gelagen,
in het begaen van de schouleijen calangereringe, optekenen van het hooftgeld
(belasting) te henne huijse gedaen". De leijen (waterlopen) werden ieder jaar
door de schepenen geschouwd (bekeken) of ze voldoende schoon waren gemaakt.
Dat was de plicht van de eigenaren. Was dat niet in orde dan moest de
betreffende eigenaar op het matje komen bij de schepenen in de herberg en
kreeg een berisping of boete (calangeren). Het schouwen van de waterlopen
wordt nog steeds gedaan en ook nu krijgt de eigenaar een boete, maar hoeft
daarvoor niet meer naar een herberg.
In 1691 werden de zonen Corstiaen en Bartholomeus Houtepen eigenaar van de
brouwerij en taverne. Tot 1700 werkte Corstiaen (zijn broer was al overleden)
als brouwer. Zijn neef Thomas betaalde hem vanaf die tijd alimentatie. Als
tegenprestatie droeg Corstiaen het onroerend goed over aan zij neef. Thomas
Houtepen was behalve brouwer ook schepen (wethouder). In 1714 betaalde hij 33
gulden bierimpost (belasting) op de omzet van het bier. De in 1751 geboren
Peter Houtepen maakte de komst van de Fransen mee met hun leuze "vrijheid,
gelijkheid en broederschap". De gemeente betaalde in 1796 een bedrag van 34
gulden en 12 stuivers voor verteringen gedaan bij het planten van
vrijheidsboom in Rijen. Bierbrouwerij De Pen was in 1843 de grootste van vijf brouwerijen in de
gemeente met een productie van 590 vaten per jaar. Het bier werd tot ver
buiten de gemeentegrenzen afgezet. Zelfs werd er bier verkocht naar Holland.
Tijdens de Belgische opstand in 1830 (zuidelijk Nederland maakte zich los van
Holland) waren er veel militairen in Brabant gelegerd. Om moeilijkheden met
vervoer te voorkomen vroeg Christoffel Houtepen aan de opperbevelhebber van
het leger te velde een pas voor zijn knecht om "zoo heen als terug naar
Baarle te mogen rijden ter vervoering van bieren". Omdat Brabantse bieren
ongehinderd in Baarle-Nassau mochten worden ingevoerd vond de commandant het
een beetje verdacht en vroeg, voor hij de pas verstrekte, inlichtingen bij de
gemeente of het toch niet de bedoeling was om bier te smokkelen. Tot 1844 bleef de herberg en bierbrouwerij in het bezit van de familie
Houtepen (zes generaties). Christoffel Houtepen verkocht de panden aan Jan
Baptist Brouwers, bierbrouwer in Gilze. Tot 1852 brouwde hij bier in het pand
in Rijen. In dat jaar liet hij een nieuwe brouwerij bouwen. Zoon Sebastiaan
Brouwers was zijn opvolger. Hij liet in 1881 een stoommachine plaatsen, die
in 1894 werd vervangen door een petroleummotor. Gemiddeld werkte er vier
knechten in de brouwerij. In 1883 had de brouwer een overeenkomst voor de
levering van "vers drinkwater gedurende één dag ten behoeve van de troepen op
bivak nabij Rijen, voor de prijs van 65 gulden". De herberg van de familie Brouwers werd zowel bezocht door inwoners van Rijen
als uit de omliggende plaatsen. Tijdens de kermis van 1855 was er een voorval
dat de archieven haalde. Toen de Gilse veldwachter Godefridus van den Corput
's avonds tijdens zijn rondgang op de Rijense kermis een gerucht hoorde ging
hij naar de herberg van Jan Baptist Brouwers naast de kerk. "Daar bevonden
zich 8 à 10 beschonken personen woonachtig te Dongen en Oosterhout welke zich
luidruchtig en ongeregeld gedroegen. Op aanmaning van de veldwachter om zich
rustig te gedragen werd hij lastig gevallen door kloppen op zijn schouders en
stoten tegen de borst, waardoor hij zich genoodzaakt voelde dien persoon naar
buiten te verwijderen. Daarop bedreigde de overige onbekende personen de
veldwachter zodanig dat hij door van zijn stok en sabel gebruik te maken zich
van hen heeft kunnen ontdoen". Brouwers overleedt in 1924 en werd opgevolgd door zijn zoon Adrianus. Voor
zijn andere zonen had hij een leerlooierij opgericht. Het bedrijf
(limonadefabriek en drankhandel) werd nog tot 1964 door de familie Brouwers
beheerd. Daarna werd de zaak overgedaan aan De Drie Hoefijzers in Breda, waar
al sinds de twintiger jaren bier van werd betrokken. Het zogenoemde "Brouwershuis" naast de kerk werd in 1979 aangekocht door de
Rabobank om op die plaats een bankgebouw te realiseren. Het enige wat nog
rest van de brouwerij, is een oude waterput uit de beginperiode, die tijdens
de sloop werd gevonden. De put is als aandenken geplaatst op de hoek
Mariastraat-Hoofdstraat.