Het dorp Gilze bestond in de 17e en 18e eeuw maar uit één straat: de
Kerkstraat (nu de Raadhuisstraat en Bisschop de Vetplein). In één van de
panden was een boerderij annex herberg gevestigd. Uitbater was de herbergier
of tavernier Peeter van der Biestraten. Zijn naam werd ook wel als Biestraet
of Bijestraten geschreven. In de herberg stond onder andere de
godspenningenbus. Bij een verkoping werd bij het afsluiten van een verkoop
door de koper een muntstuk aan de verkoper gegeven. Die deponeerde vervolgens
de punt in de godspenningenbus. Jaarlijkse werd de bus gelicht en de
opbrengst werd gebruikt voor de armenzorg. In die jaren was er bij de boerderij/herberg/taverne ook een brouwerij, die
echter al lange tijd niet werd gebruikt. Op een lijst van bierbrouwerijen in
Gilze en Rijen uit 1672 staan zes Coopbrouwers en vijf Huijsbrouwers. Eén van
die huisbrouwerijen was van de weduwe van Peeter van der Biestraten, met de
aantekening "daerop in lange jaren niet is gebrouwen". De dochter van de weduwe trouwde in 1673 met Anthony Marchelis van Pelt. Het
jonge paar ging op de boerderij/herberg wonen. Anthony stelde de brouwerij
weer in werking. In 1698 is hij bierbrouwer, met een brouwketel groot zeven
tonnen. Tussen 1673 en 1707 zijn er aantekeningen in de dorpsrekeningen van
betalingen voor verteringen ten huize van Anthony van Pelt, herbergier,
tavernier of weert alhier. In de zomer van 1686 ontstond er enige opschudding door een moord voor de
deur van de herberg van brouwer van Pelt. Daar werd de ondervorster
(hulpveldwachter) Jan Haeneveer met messteken om het leven gebracht. De dader
sloeg op de vlucht en werd door de schepenbank van Breda bij verstek
veroordeeld. Als hij in handen van het gerecht zou vallen moest hij gestraft
worden "met den swaerde dat daer de dood aen volge". Met andere woorden hij
zou worden onthoofd. Vanaf 1708 was Peeter Anthony van Pelt bierbrouwer. Hij betaalde een bedrag
van 36 gulden aan impost (belasting) over zijn omzet aan bier en wijn in de
brouwerij en herberg. In het dorp woonde ook enkele gereformeerde gezinnen,
die erop toezagen dat iedereen zich aan de regels hield. Tegen het gebruik
van bier en wijn op werkdagen was geen bezwaar, want er waren ook
gereformeerden die een herberg in Gilze hadden. Maar op zondag in de herberg
een teeravond houden was volgens hen ongeoorloofd. Predikant van der Donck
was ter ore gekomen dat de leden van het Sint-Josef gilde op zondag "hunne
slemp-dagen" wilden beginnen met een maaltijd in de herberg van schepen Peter
van Pelt. De dominee vond het buitengewoon ongepast dat ze daarvoor "den
H(eiligen) Sabbath dag des Heeren" hadden uitgekozen. In een gesprek met van
Pelt had hij hem gevraagd af te zien van de maaltijd, maar de brouwer zei dat
ook in de omliggende dorpen slempdagen werden gehouden. Van Pelt zou echter
het gilde op de hoogte brengen van het bezwaar van de predikant en de
kerkeraad. De kerkeraad diende echter een klacht in bij de schout, die van
Pelt verbood om de maaltijd te houden. Dat zal in die tijd de verhouding
tussen de gereformeerden en rooms-katholieken geen goed hebben gedaan. In de nacht van 19 op 20 juni 1763 werd Gilze opgeschrikt door een grote
brand. Vijfentwintig huizen en negen schuren werden een prooi van de vlammen.
Ook "Huys, schuer, brouwerije en drie stallen" van de familie van Pelt werden
in de as gelegd. Volgens een opgave bedroeg de schade aan het onroerend goed
3000 gulden en aan de inboedel 195 gulden. Zowel het huis als de brouwerij
werden herbouwd. Lange tijd bleef de brouwerij in het bezit van de familie van Pelt, zo blijkt
uit de archieven: "Geleverd 7 december 1783 tot de begrafenis van de vrouw
van Ant. Van Gils tot Molenschot een goet vat bier, 2 gulden 10 stuijvers" en
"Geleverd 17 januari 1784 tot de begrafenis van Corn. Van Gils op den Horst
een vat goet bier en een kan jenever, 3 gulden". Als de overledene armlastig
was werd de drank op de uitvaart door het Armbestuur betaald. Bruin bier met
een laag alcoholpercentage was de gewone drank, koffie kende men toen nog
niet. In 1799 trouwde de weduwe van Sebastiaan van Pelt, Elisabeth Pijnarts met de
brouwerijknecht Jan van der Ven. Het huwelijk was maar van korte duur. Beide
echtelieden overleden in de loop van 1800. De erfgenamen gingen over tot
openbare verkoop van het onroerend goed. Het huis, de brouwerij met de andere
gebouwen werden gekocht door Cornelis Hoefmans, die getrouwd was geweest met
een dochter van een bierbrouwer uit de Biestraat, die kort daarvoor was
overleden. Cornelis Hoefmans was er brouwer, maar heeft dat niet lang gedaan.
In verband met zijn tweede huwelijk vertrok hij in 1804 naar Riel en verkocht
het onroerend goed. Hiermede kwam er een einde aan de herberg en brouwerij. Na het stopzetten van de brouwactiviteiten was er een arts in gevestigd.
Daarna een aardappeljeneverstokerij. Vanaf 1850 werd in een koestal wekelijks
een botermijn gehouden. Boeren verkochten op die markt hun boter aan
handelaren. Vervolgens was er een koekfabriek en als laatste een
metaalwarenfabriek in gevestigd. In 2001 werden de activiteiten op de
metaalfabriek beeindigd.