Categorie: Bierbrouwerij
Groep : Onafhankelijk
Opgericht: 1710
Gesloten: 1887
Cannerweg 262 en Susserweg 2
Biesland-Maastricht
Provincie: Limburg
Eigenaar/directeur: Hubertus Franciscus Marres
Brouwmeester: Hubertus Franciscus Marres
Over de brouwerij
Aegidius (Gilis) Marres 1710 - 1722, Maria Elisabeth van Geleen, weduwe van Gilis Marres 1722 - 1730, Jan Marres 1730 - 1751, Jan Willem Marres 1730 - 1794, Michaël Marres 1794 - 1818, Hubertus Wilhelmus Marres 1818 - 1862, Hubertus Franciscus Marres 1862- 1887.
Dit huis ligt buiten de stadsmuren in het landschap Biesland, in een gebied
dat vroeger De Vroenhof werd genoemd, een half uur gaans van Maastricht. Het
ligt aan een pleintje waar vier wegen op uitkomen. De weg van Maastricht komt
recht op het huis af en slaat op het plein linksaf. Aan beide zijde van het
huis vertrekken twee wegen, aanvankelijk evenwijdig aan elkaar. Aan de
oostzijde begint de weg naar Sichen, aan de westzijde die naar Wolder en
Heukelom. Het Gebouw is U-vormig en heeft een oppervlak van ruim 43 aren,
waarbij uiteindelijk 100 hectaren bouwland hoort, waarschijnlijk voor de
teelt van gerst voor de brouwerij en de branderij.
Het huis is in 1710 gebouwd door Joannes van Geleen, brouwer in De Stenen
Leeuw op de St. Pieterstraat te Maastricht voor zijn dochter Elisabeth, die
in 1703 met Aegidius Marres is gehuwd, zoon van Servaes Marres, brouwer in De
Wildeman . Gilis is begonnen als pachter van de brouwerij De Poorte in de
Raamstraat en beheerde daar ook een mouterij. In 1710 betrekken seigneur
Gilles en zijn echtgenote het nieuw gebouwde Pannenhuis, waar hij brouwer,
brandewijnstoker en waard wordt. Al in dat zelfde jaar wordt hij betrokken
bij een vechtpartij in zijn pand. Twee elkaar vijandige families bestrijden
elkaar onder meer in en bij zijn pand. Servaes tracht te bemiddelen en loopt
daarbij klappen op. Servaes, zijn broer, en enige andere inwoners van de
Vroenhof en van het dorp St. Pieter leggen dan voor de justitie
verontwaardigd een verklaring af. Gilis werd zeer onheus bejegend, kreeg een
vuistslag op zijn wang, waarop hij ging bloeden en kreeg steken in zijn
kamizool. Er zijn verscheidene verklaringen van hem over vechtpartijen tussen
deze families uit die tijd.
In de familie leeft sinds mensenheugenis het verhaal over een Spaanse
herkomst. Een mogelijke bron van deze mythe is het feit dat in het jaar dat
het huis betrokken werd een neef van schoonðvader Jan van Geleen, Christiaan
van Geleen, kinderloos in Toledo overleden is. Hij was arts en had het ver
gebracht. Hij was hofarts en zelfs Raad aan het Spaanse hof. In 1710 overleed
hij en er is toen een forse nalatenschap onder de neven verdeeld, maar zover
ik kon nagaan deelde schoonvader Jan daar niet in. Mogelijk heeft dit
gebeuren destijds toch indruk gemaakt. (18)
Bij het overlijden van zijn schoonvader Jan van Geleen in 1712 wordt Gilis
eigenaar. Hij sterft in 1722 en zijn weduwe Maria Elisabeth neemt de leiding
op zich tot haar overlijden 1730. Zij wordt opgevolgd door haar zoon Jan
Marres, die ook enige malen gekozen zal worden tot burgeðmeester van het dorp
Wilre.
Gedurende zes generaties, meer dan anderhalve eeuw is de brouwerij in de
familie geweest. Het gaat de familie niet slecht en het bezit, vooral in de
vorm van grond, breidt zich geleidelijk uit. Jan Willem huwt Maria Catharina
Mares, een dochter van Michiel Mares, brouwer en distillateur in de Fonteyne
te Wilre, die behoorde tot een mogelijke zijtak van dit geslacht. Haar broer
Michiel Mares wordt in de Franse tijd de eerste maire (burgemeester) van dit
tot gemeente bevorderde dorp. De inval van de Franse legers verstoort de
rust. Jan Willem zoekt veiligheid in zijn huis in de stad en sterft daar in
1794.
Zijn zoon Michel Marres huwt Maria Catharina Kruyen, dochter van de Leonard
Kruyen, distillateur op de Bisschopscommel te Maastricht. Zij stamt uit een
familie van dorpsðmagistraten uit oostelijk Zuid-Limburg, trotse figuren die
opkwamen voor de belangen van degenen die van hun afhankelijk waren.
Grootvader Leonard Kruyen (ook wel Kreuen, Creuen of Creuwen) was schepen van
de kleine heerlijkheid Vaesrade en werd gevraagd om tijdelijk zitting te
nemen in de schepenbank van het markiezaat Hoensbroek, zodat het vereiste
aantal van vier schepenen bij verhoren aanwezig was. Creuwen functioneerde
als "geassumeerd" schepen van 29 juli tot en met 27 november 1743. Op 28
november bedankte hij voor de eer, omdat hij het niet meer in geweten kon
verantwoorden dat hij weer een verhoorprotocol moest tekenen van een
gevangene die de dag tevoren na zijn vertrek opnieuw op de pijnbank was
gebracht en wiens bekentenissen hij niet had gehoord. Creuwen maakt
duidelijk, in een verklaring die hij door advocaat Limpens laat vast leggen,
dat schout Franssen niet eens "interrogatoriën ter rolle" indiende, dat hij
een "decreet tot tortuur" gebruikte voor meerdere folteringen, die soms
gedurende een paar dagen werden voortgezet; bij Matthijs Ponts zelfs zeven
dagen lang. Geen der gevangenen had iets bekend tenzij "door swaere torture
daertoe gebrocht sijnde". Bij het informeren naar medeðplichtigen ging men
uit van een gehucht of straat en duidde dan "die persoonen die sij geerne
genoemdt hadden gehadt, genoeghsaem" aan. Over het, ook voor die tijd, ver over de schreef gaande gedrag van
autoriteiten tegen kleine misdadigers, waarvan men de misdaden opblies tot
grote bedreigende wandaden van georganiseerde misdaad - toen de zogenaamde
Bokkerijdersbenden, maar ook in onze tijd een niet onbekend verschijnsel - is
al veel geschreven. Leonard Kruyen hield zijn rug recht.
Bij Michel Marres splitst de familie zich in drie takken. De oudste zoon Jan
Willem begint in 1826 een brouwerij in Maastricht in de Helstraat.De
Brouwerij Marres-Prick. Zijn tweede zoon Michel II koopt in 1825 tezamen met
zijn bruid Anna Bemelmans de brouwerij Het Sint Nicolaas Panhuis, de latere
brouwerij Eugène Marres in de Plankstraat en zet deze onder eigen naam voort.
Hij is de stamvader van de Nederlandse tak Marres. De derde zoon Hubert
brouwt nog enige tijd in het Pannenhuis maar opteert in 1839 voor de
Belgische nationaliteit. Hij ontmantelt de brouwerij en vertrekt uit
Nederland. Hij is de stamvader van de oude Belgische tak. Zijn zoon Victor
gehuwd met Philomène Thans start in 1882 in Belgisch Vroenhoven de brouwerij
Marres-Thans. In 1887 verkoopt hij Pannenhuis aan Victor Chambille. Thans is er het tuincentrum Castermans gevestigd.
Michel heeft ook twee dochters, de oudste Marie Catherine huwt de
graankoopman Pierre Lemaire, molenaar op het Maasmoleneiland te Maastricht.
Hun huis en molen werden in 1895 geofferd voor de aanleg van het
Julianakanaal door Maastricht. Hun kleinzoon zal later in de Belgische adelstand verheven worden met de
titel van Baron.
De jongste Agnès huwt Jean Liessens een boer te Sichen-Sussen-Bolre in
België. Zij verzorgt later haar moeder op haar oude dag in hun boerderij.
Hier rechts het levensgroot geschilderde portret van Maria Catharina
Lemaire-Marres omstreeks 1849. (In particulier bezit)
De laatste in de rij van brouwers in dit huis is Hubert Willem Marres, die
als jongste van het toenmalige gezin de oude brouwerij erft, zijn broers en
zusters zijn dan allen naar elders vertrokken. Ook hij zal vertrekken, bij de
oprichting van het Koninkrijk België in 1839 kiest hij voor de Belgische
nationaliteit en vestigt zich aan de andere zijde van de grens.
Op de maquette van Vauban van Maastricht, rond 1750 gemaakt in opdracht van
de franse koning Lodewijk XV, staat het Pannenhuis afgebeeld. Het is
duidelijk herkenbaar aan de asymetrische U vorm, waarbij de rechter poot
langer is dan de linker.
De gevelsteen, die zich thans aan de achterzijde bevindt, draagt het wapen
van Geleen en daaronder in een banderol de tekst: Ioannes Vangelen LIberIs
AeDIfICabaM, vertaald: (ik) Johannes van Gele(e)n bouwde voor (mijn)
kinderen. Door vergrote letters in de tekst is in Romeinse cijfers het jaartal 1710 te
lezen.