Aegidius Marres 1750 - 1762, Maria Christina Nijst weduwe van Aegidius Marres 1762 - 1778, Bartholomeus Servaes Marres 1778 - 1801.
Aegidius Marres is in 1715 op de Bisschopskommel van Maastricht geboren als
zoon van Servaes Marres, brouwer aldaar. In 1750 huwt hij Maria Christina
Nijst, weduwe van Petrus Dominicus Maquo. Bij het huwelijk brengt zij de
brouwerij De Blauwe Hond in, die zij van haar eerste man erfde.
Augidius heeft een groot probleem om als meester brouwer in het gilde, of
zoals dat in Maastricht werd genoemd het ambacht, aanvaard te worden. Hij zou
geen geboren Maastrichtenaar en dus geen burger van Maastricht zijn. Het kost
hem nogal wat moeite om aan te tonen dat hij weliswaar op de Bisschopscommel
is geboren, dus buiten de stadsmuren, maar dat hij in de stad is gedoopt en
wel in de St Jacobskerk, en nu inwoner en burger van Maastricht is, en dat
zijn vader weliswaar buiten de stad brouwde maar burger was van Maastricht en
ook meester brouwer was van deze stad. Hij wendt zich tot de Raad van Maastricht en omdat de zittende meesters en
ouderlingen zich blijven verzetten wordt zijn geschil met het ambacht in drie
opeenvolgende raadsvergaderingen die van 3, 17 en 31 augustus 1750 besproken. De raad verzoekt het ambacht om Aegidius in alle rechten als lid te
accepteren. Na de eerste vergadering wordt het ambacht vermaand, na de tweede wordt een
verzoek tot sustensie van het ambacht besproken en tenslotte wordt besloten
een laatste aanmaning naar het ambacht te sturen en met sancties te dreigen.
Dit heeft uiteindelijk succes en eerst dan wordt hij als lid en meester
brouwer geaccepteerd. Gedurende 28 jaar zal hij als brouwer werkzaam zijn.
Hij sterft in 1778.
Zijn zoon Bartholemeus Servatius zet de brouwerij voort. Hij is molenmeester der brouwers voor Luikse zijde 1782 - 1784 en markmeester
van het Brouwersambacht 1792 - 1796. Mogelijk was hij ook meester bakker,
want in die hoedanigheid stellen de Maastrichtse molenaars hem in 1791 aan om
accijns bij de bakkers te innen.