Categorie: bierbrouwerij
Groep : Onafhankelijk
Gesloten: 1954
Boxmeer
Provincie: Noord-Brabant
Over de brouwerij
Bron: forum.res-nova.nl/viewtopic.php?t=576 Datum: woensdag 23 januari 2008 Herontwikkeling Brouwerij Cambrinus in Boxmeer?
Proost! door Roland Bruynesteyn
Aanleiding De huidige eigenaar wenst de voormalige bierbrouwerij Cambrinus aan de
Stationsweg 20 te Boxmeer een nieuwe bestemming te geven. Omdat het complex
een rijksmonument is, is een cultuurhistorisch onderzoek vereist.
Brouwerij Cambrinus sloot in 1952 haar deuren. Hierbij werd de inventaris met
betrekking tot het brouwproces uit het pand verwijderd. Hoewel de kenmerkende
koperen ketels en overige relicten niet meer aanwezig zijn, is het
brouwerijverleden van het complex nog duidelijk herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen. De resultaten van dit onderzoek dienen als
onderbouwing van de restauratie van het gebouw en vormen een handvat voor de
ontwikkeling van het omliggende terrein.
De naam Cambrinus De voormalige brouwerij aan de Stationsweg droeg de naam Cambrinus. Omdat de
brouwers het zonder God moesten doen, kregen ze een koning, in de persoon van
Cambrinus. Een legendarische figuur die, schrijlings op zijn bierton gezeten,
een bierpul in de hand houdt. Naar alle waarschijnlijkheid was Cambrinus de
historische figuur Jan I, Hertog van Brabant. In 1267 werd Jan I, ook wel Jan
Primus genoemd, Hertog van Brabant en Lorreijnen. Zijn naam, Jan Primus, werd
later verbasterd tot Cambrinus (hij wordt ook vaak afgebeeld als Hertog Jan).
De betekenis van Jan Primus voor de bierwereld ontstond toen hij de kiem
legde van de Belgisch-Brabantse brouwerijnijverheid. Hij gaf de Brusselse
magistraat het recht om vergunningen te verlenen voor het brouwen en verkopen
van bier. Hij werd toen benoemd tot erepresident van het Brusselse
Brouwersgilde.
Beschrijving Het voornaamste volume bevat zowel het woonhuis (links) als een deel van de
brouwerij (rechts). De voorgevel heeft door deze indeling in woon- en
economiefunctie en de daarmee samenhangende eisen en wensen wat betreft
architectuur (het decorum), een duidelijk asymmetrisch karakter. Er is dus
van binnen naar buiten gebouwd, hetgeen de hand verraadt van een architect
die op de hoogte was van de ontwerpdoctrines van die tijd.
Het woonhuis Bij het woondeel wordt duidelijk dat dit deel wel symmetrisch is opgesteld.
Centraal door het huis, van de voordeur tot de achtergevel loopt een gang
(door de aanbouw van de eetkamer, bevindt zich nu een tussendeur aan het eind
van deze gang, waar oorspronkelijk een buitendeur zat). Links van deze gang
ligt een ruime woonkamer, die door de open verbinding met het in het begin
van de jaren tachtig aangebouwde vertrek, aanzienlijk groter is geworden.
Rechts van de gang liggen een voorkamer, een toilet en de keuken. Gezien de
detaillering in deze ontvangstkamer, was dit waarschijnlijk de voornaamste
ruimte van het huis.
De brouwerij Het oudste deel van de brouwerij bestaat uit het rechterdeel van het
hoofdvolume en het haaks hierop staande bouwblok. De bedrijfsvleugel is
volledig onderkelderd. Deze kelder is zowel via een trap in het woonhuis als
een trap in de brouwerij en een luik vanaf de binnenplaats bereikbaar. Daar
waar de kelder via het luik vanuit de binnenplaats betreedbaar is, ligt het
vloerniveau circa n meter lager dan in de overige ruimten. De begane grond is
opgedeeld in drie achter elkaar gelegen ruimten, waarbij het vertrek aan de
Stationsweg (onderdeel van het hoofdvolume) hoger is dan de overige twee
vertrekken. Deze ruimte deed, gezien de bouwsporen van een tweetal grote
poorten, dienst als opslag en laad- en losruimte. Ook de verdieping boven
deze kamer had een opslagfunctie: op de deur die toegang geeft tot deze kamer
staat 'bergplaats voor suiker'. Via een luik aan de voorgevel van het pand
kon deze grondstof worden aan- en afgevoerd.
Decorum De wijze waarop de voorgevel van de hoofdvleugel is opgebouwd, is een fraai
voorbeeld van hoe het begrip decorum in de architectuur werd toegepast.
Volgens dit principe heeft ieder type gebouw een eigen karakter of stijl
waardoor het optimaal tot de aanschouwer spreekt. Bij de voormalige brouwerij
uit zich dit in de tweedeling van de voorgevel. Het contrast tussen de
vormentaal van het woondeel en het bedrijfsdeel is bepalend voor de
uitstraling van het complex. Het gevelvlak van het woonhuis volgt de traditie
van de stedelijke bebouwing, een symmetrische indeling bestaande uit een
vijftal verticale assen met grote vensteropeningen. Het gevelvlak van het
bedrijfspand kenmerkt zich door de 'industriële' uitstraling, waarbij gebruik
is gemaakt van fraaie gietijzeren rondboogvensters en eenvoudige
toegangsluiken.
Middeleeuwse beeldtaal De middeleeuw waren in de negentiende eeuw een belangrijke inspiratiebron bij
de bouw van industriële complexen. Het vanzelfsprekende belang van
uitstraling (decorum) van fabrieksarchitectuur leidde tot een koppeling van
bedrijfsgebouwen aan middeleeuwse ornamentiek: men greep terug op het - deels
ge‹dealiseerde - beeld van een maatschappij waarin de eerste bloei van de
nijverheid had plaatsgevonden. Daarnaast putten architecten inspiratie uit de
gotiek omdat men hierin de optimale functionele harmonie meende te herkennen
tussen constructie en architectonische vorm. De grote fabriekspanden die in
het laatste decennium van de negentiende eeuw waren opgericht, werden veelal
gekenmerkt door een neogotische beeldtaal, gedomineerd door een eenvoudige
baksteenornamentiek. Een variant hierop zien we kleinschalig, maar fraai
gedetailleerd, terug in Boxmeer.
Het onderzoek is verricht door drs Don Rackham.